Taalwerk

Ik heb contact met Brahim, die zijn bruid uit Marokko heeft gehaald. Fatima. Zij is vrolijk en goedlachs, en kent één Nederlands woord: ‘Hallo’. Via Brahim praten we met elkaar. Zo hoor ik dat ze zo ongeveer uit de woestijn komt, haar ouders mist, dat ze Nederland wel ‘brrr’ vindt maar heel mooi groen. Ze wil Nederlands leren.
We spreken af dat ik twee keer in de week een uur kom. Op grote vellen papier plak ik plaatjes uit folders, daaronder schrijf ik hoe alles heet. Door háár ogen zie ik ineens hoeveel wij hier hebben: groente en fruit in overvloed, en een gênante hoeveelheid merken en soorten van alles en nog wat.

Fatima breekt haar tong over de zware Nederlandse klanken, maar ze zet stug door. Ze heeft een heerlijk gevoel voor humor en lacht om haar eigen uitspraak.
Op een dag – we hebben het over opa’s en oma’s – komt het begrip ‘dood’ aan de orde.
‘Dood’, zegt ze fronsend. Hoe leg ik dat uit? Grond, zeg ik, onder de grond. Ik maak schepbewegingen, ga op de grond liggen, maar ze blijft met grote ogen naar mij kijken. Ineens begint ze te lachen: ‘Ooh, ik weet.’ Ze tilt het vloerkleed op en maakt een gebaar van eronder schuiven. Enthousiast knik ik ja, ja.

‘Van wie jij heb taal geleerd?’ vraagt de vrouw uit Kosovo

Fatima is analfabeet. Haar broers mochten naar school, zij niet. Haar vader – hoofd van de dorpsschool – wilde haar wel naar school sturen, maar haar moeder vond dat haar oudste dochter thuis moest helpen.
Fatima wil leren lezen en schrijven. Ik leer haar het alfabet, plak op alle voorwerpen in haar huis briefjes, waarbij ik opnieuw haar humor ontdek. We komen bij de azijnfles. ‘Azijn,’ zei ik. ‘Azin,’ zegt ze na en begint heel hard te lachen. ‘Bij ons azin is veel kinder. Hier zuur.’
Ze is acht maanden zwanger als ik op vakantie ga. Als ik terugkom laat ze mij trots zien wat ze gedaan heeft: alle woordjes die ik in haar huis had opgeplakt heeft ze overgeschreven, ze kan ze lezen en uit haar hoofd opschrijven. Mijn Fatima is geen analfabeet meer. Ze gaat kinderboekjes lezen, en dan komt voor mij het moment waarop ik zeg: ‘Fatima, je moet naar een echte taalcursus. Daar leer je veel meer dan bij mij.’
Ze gaat. Op de fiets, dat heeft ze inmiddels ook geleerd. Als ze bij de taalcursus vragen waar ze Nederlands heeft geleerd zegt ze: ‘van Ati.’
Op een dag, ze spreekt dan al goed Nederlands, zit ze met haar dochtertjes in een speeltuintje. Er komt een vrouw naast haar zitten. Met handen, voeten en woorden praten ze met elkaar. ‘Van wie jij heb taal geleerd?’ vraagt de vrouw uit Kosovo.
‘Van Ati,’ zegt Fatima. De ander kijkt haar met grote ogen aan: ‘Van Ati? Is dezelfde? Zij komt bij mij.’
Nu heeft de dochter van Fatima haar Havodiploma op zak, en de dochter van Katrina uit Kosovo is geslaagd voor het VWO. Ik ben trots op deze moeders en dochters.

Ati van Gent
ativangent@maandbladreveil.nl

Categorieën: Artikelen