Kruispunt

Een verbaasde uitroep – “Rookte jouw moeder?” – doet me opkijken van mijn boek.
“Ja joh, ze rookte Stuyvesant.”
Ik zit op een terras uit te blazen van een fietstochtje en te genieten van een vrije middag. Met een boekje in een hoekje, wat een luxe. Van de groep Molukse mannen en vrouwen naast me was ik me nauwelijks bewust. Tot nu.

Mijn moeder rookte Kent, schiet het door me heen. Als kind moest ik sigaretten halen bij Blinde Jan, verderop in onze straat. In het centrum van ons stadje beheerde hij een kiosk en thuis verkocht hij rookwaren. Een wit pakje Kent voor mijn moeder, een groen pakje Chief Whip voor mijn vader; “Sjie-fiep”, zei hij. Ik grinnik bij de herinnering. Mijn moeder zie ik nog zitten roken, haar benen languit op een stoel; mijn vaders vingertoppen zagen bruin van de nicotine.

De moeder van mijn Molukse buurvrouw op het terras rookte dus ook. Geïnteresseerd observeer ik de groep een tijdje. Hun Nederlands heeft een onmiskenbaar dialectisch accent, met open oooo’s en eeee’s, wat grappig klinkt. Deze tweede generatie-Molukkers zijn zo Twents als een Twentenaar maar zijn kan. Alleen wat donker uitgevallen. En hun dialogen zijn nog steeds doorspekt met Maleise woorden.

Leven is net zoiets als fietsen. Gewoon doen. En doorgaan.

Ik kan er maar een paar thuisbrengen. Nederlands-Indische mensen, zoals mijn moeder, spraken thuis Hollands, nauwelijks Maleis. Vreemd, want juist dat geeft me nu plotseling een gevoel van gemis, van buitengesloten zijn, een vaag heimwee. Ik sta op en betaal. Weer op de fiets dringt het tot mij door dat het mijn moeder is die ik mis. Dat ik haar zou willen vertellen over veranderingen die op til zijn, over het kruispunt van wegen waarop we zijn aanbeland. De vragen die je hebt, de zorgen die er zijn, die wil je toch met je moeder delen? Mam, hoe moet dat nu verder met mijn zieke Jacob? Met ons bedrijf? Met ons?
“Wil, weet je het dan niet meer?” zou ze vragen, die moeder van mij. “Ben je het Bijbelwoord vergeten dat ik je meegegeven heb: ‘Zonder Mij kunt gij niets doen’?”

Kan ik trouwens alleen maar tegen haar miepen? Ken ik geen zegen? Hebben we niet een veelkleurige schare kleinkinderen gekregen: rooie, bruine, witte, Indische, Hollandse? Wat zou ze een plezier om hen hebben gehad. En woont er in mijn huis geen engelachtig jongetje? Over een paar maandjes maakt hij een nieuw begin met zijn eigen papa en mama in hun eigen huis. Nee, ons verhaal van zorg en zegen is nog niet uit.

En dan zet ik er maar eens flink de vaart in. De weg naar huis is nog lang. En ik bedenk dat leven net zoiets is als fietsen. Je moet ’t gewoon doen. En doorgaan. Enne… je ziet nog eens wat onderweg.

Willemke Wieringa
willemkewieringa@maandbladreveil.nl
Willemke Wieringa runt naast haar gezin een communicatiebureau

Categorieën: Columns