Maria

“Moslims vieren toch geen kerst?” Ze was iets groter dan hij, zag hij nu. Nieuwsgierig keek ze langs hem heen naar de muur. Een dikke grijze sjaal bedekte haar boezem, haar blonde halflange haar viel er sierlijk overheen. Dus zo keek ze naar hem. Een Turk, een moslim. Die vieren geen kerst. Dat klopte dan weer wel.

Adar had zijn kar die middag met de rug in de wind gezet. Het waaide hard, de golven waren tegen de kades opgeslagen. Toeristen hadden zich nauwelijks laten zien. Later die middag zouden de vissers de haven binnenvaren, maar die wisten meestal niet hoe snel ze thuis moesten komen. Adar was alvast begonnen zijn broodjes in te pakken. Een paar laatste worstjes liet hij in de verwarmer zitten voor het geval er nog klanten zouden komen.

“Mag ik een worstje?” Ze had een helder stemmetje. Vanuit zijn kar moest hij zich voorover buigen om in haar vragende gezichtje te kijken. Hij kende haar wel. Ze zwaaiden elke dag naar elkaar, als ze achter op de fiets of aan de hand van haar moeder voorbij kwam. Ze moest altijd lachen om zijn gekke gebaren en klopte haar moeder dan enthousiast op de rug. ‘s Morgens kwamen ze van rechts, ‘s middags van links.

Eigenlijk was Bargt al lang geen eiland meer. Sinds jaar en dag lag de dijk er, met bovenop de geasfalteerde tweebaansweg. Zo was hij ook aan komen rijden, zijn kar achter zijn versleten VW-busje. Zijn bezittingen pasten in twee hutkoffers. De meubels had hij op een zomerse dag op de rommelmarkt van de Gereformeerde Kerk gekocht. Ze hadden hem afwachtend staan bekijken vanachter hun spullen. Toen hij wat van de prijs af probeerde te krijgen, hadden ze wat zuinig gekeken. “Zo doen we dat hier niet, meneer.” De stevige dame liet zijn geld in een metalen kistje verdwijnen. Het zware eikenhouten dressoir was nu het pronkstuk van zijn kamer. Zijn icoon had hij erboven gehangen, Maria en Jozef, tegen een gouden achtergrond, met engel, ezel en het kindje Jezus op de voorgrond. Een papieren kopie hing tegen de achterwand van zijn kar. Sommige toeristen vroegen ernaar, waar hij vandaan kwam, of dat met zijn geloof te maken had. Bargters keken er alleen met een schuin oog naar.

“Mama zegt dat jij een Turk bent. Wat is dat, een Turk…?” Haar lange groene jurk kwam onder haar rode winterjasje uit, die bijeengehouden werd door een sjaal met vrolijke pompoenen. Haar pop had ze zo lang even op de balie gelegd. “Weet jouw mama wel dat je hier bent?” Ze knikte, haar wangen bol van brood en worst. Er liep een straaltje rode ketchup over haar kin. Ze lachtte. “Houd jij ook van de Here Jezus?” Ze wees met een vettig vingertje naar de icoon. Hij knikte. “En jij?” “Vanavond hebben we kerstfeest van de zondagsschool. Dan ga ik zingen…” “Wat leuk, mag ik ook komen.” Ze lachtte. “Neeeh… jij bent toch een Turk?!”

Even later had hij de pop gevonden op de toonbank,
tussen het servettenbakje en de mosterdfles

Hij zou de pop de volgende morgen wel langsbrengen, bedacht hij. Ze woonde even verderop, in de zuiderbuurt. Had hij meteen een loopje. Op zo’n eerste kerstdag waren er geen toeristen op Bargt. De eilanders zouden tussen de kerkdiensten door hun huis niet uitkomen. Ze was gehaast weggerend, toen ze haar wenkende moeder bij de kade ontdekte. De witte servet wapperde als een vlag in haar hand. Ze kauwde nog op de laatste hap van het broodje. Even later had hij de pop gevonden op de toonbank, tussen het servettenbakje en de mosterdfles. Thuisgekomen moest eerst zijn wagen uitgepakt worden. Pas toen hij klaar was, ontfermde hij zich over de pop. Glimlachend stond hij ermee in zijn grote, harige mannenhanden. Een babypop was het, zag hij nu. Een duim in de mond, kaal koppie. Zo had het dus kunnen zijn, dacht hij, een dartelend meisje in huis. Had hij er goed aan gedaan om toch te vertrekken? Anik en hun kind naar een veilig land brengen, dat was zijn grote doel geweest. Zijn blik ging naar de foto met de grijze grafsteen, die hij ingelijst op het dressoir had gezet. Haar naam was ingebeiteld, die van het kind stond er niet op. Het was een meisje geweest, dat hadden ze hem nog gezegd voordat ze het naar het mortuarium gebracht hadden. De witte kiezel blonk in de zon. Hij had hem er op de dag van vertrek neergelegd, een foto gemaakt en zonder afscheid van zijn moeder te nemen het vliegtuig genomen. Morgen zou hij haar bellen, nam hij zich voor.

Adar nam net zijn bord eten op schoot, toen de bel ging. “Maria heeft haar pop bij u in de wagen laten liggen. Ze kan nu niet slapen… Ik kom hem maar even halen.” Maria…? Zo had hij haar willen noemen. Anik had tegengestribbeld, een christelijke naam kon gevaarlijk zijn. De tijd had hen ingehaald.

Vanachter het kamerraam keek hij haar na. De pop bungelde in haar linkerhand, met het hoofd naar beneden. Voor hij het wist was ze achter hem komen staan. Haar frisse geur had de kamer gevuld. Hij had alleen geknikt. Nee, hij was geen moslim. En ja, die steen was van zijn vrouw. Nee, hij zou met kerst geen bezoek krijgen.

“Slaap zacht, Maria…” mompelde hij en stak de kaars aan. Hij besloot de uitnodiging aan te nemen.

Arie Kok
ariekok@maandbladreveil.nl

Categorieën: Geen categorie