“Mijn lijden helpt mij de hemel te zien”

Ik vroeg me altijd af waarom Paulus in de Bijbel ontberingen ‘licht en kortstondig’ noemt. Jaren van ellende openden mijn ogen voor zijn inzicht.

“Francie, wil je kopieën maken van deze brief en de originelen in het archief opbergen?” vroeg ik mijn secretaresse zonder op te kijken van mijn bureau. “En,” zuchtte ik, “wil je alsjeblieft nog een keer de slaapbank uittrekken?”
“Meen je dat? Nog een keer?”
“Ja, nog een keer,” zei ik.

Voor de vierde keer die dag moest ik uit mijn rolstoel worden getild om te kunnen liggen. Daarna moest ik me uitkleden om mijn korset aan te passen. Ondiepe ademhaling, zweten en een torenhoge bloeddruk gaven aan dat iets mijn verlamde lichaam afkneep of dicht drukte. Terwijl mijn secretaresse mijn tranen wegveegde en de slaapbank naast mijn bureau uittrok, staarde ik afwezig naar het plafond. “Ik kan het niet meer opbrengen,” mompelde ik.

Francie schudde haar hoofd en grijnsde. Terwijl ze de stapel brieven van mijn bureau pakte en zich opmaakte om weg te gaan, bleef ze staan, leunend tegen de deurpost. “Ik wed dat je niet op de hemel kunt wachten. Weet je, zoals Paulus zei: ‘We zuchten in onze aardse tent en zouden willen dat onze hemelse woning er nu al over wordt aangetrokken’.” (2 Korintiërs 5: 2) Ik kreeg weer tranen in mijn ogen, maar deze keer waren het tranen van opluchting: “Ja, het zal geweldig zijn!”

Toen God mijn gebroken nek op mij af stuurde, blies hij de lampen in mijn leven uit die het ‘hier en nu’ verlichtten.

Op dat moment droomde ik waar ik al duizenden keren van had gedroomd: de hemel. Ik haalde 1 Korintiërs 15 aan: ‘Het vergankelijke lichaam moet worden bekleed met het onvergankelijke’. O, dat ik helemaal gericht kon zijn op die heerlijke beloften die Paulus hier uitspreekt en hoe God die stuk voor stuk heerlijk zal vervullen. Dat is alles wat ik nodig heb. Ik opende mijn ogen en zei hardop: “Kom snel, Here Jezus.”
Deze ervaring heb ik vaak twee of drie keer per week. Lichamelijk verdriet en emotionele pijn zijn eerlijk gezegd een onderdeel van mijn dagelijkse routine. Maar deze ontberingen zijn een middel waarmee God me helpt mijn gedachten op het hiernamaals te richten. En ik bedoel niet het hiernamaals als een doodswens, psychologische truc of ontsnapping uit de realiteit – ik bedoel het als de echte realiteit.

Als ik vanuit het perspectief van de hemel op mijn problemen neerkijk, zien mijn beproevingen er heel anders uit. Van onderaf gezien lijkt mijn verlamming een enorme muur, waar ik nooit overheen kom. Maar als ik van bovenaf kijk, lijkt die muur een dunne lijn, iets wat kan worden overwonnen. Het is – en ik was blij toen ik dat ontdekte – het vogelperspectief waar Jesaja over spreekt in hoofdstuk 40:31: ‘Maar wie hoopt op de Heer krijgt nieuwe kracht: hij slaat zijn vleugels uit als een adelaar, hij loopt maar wordt niet moe; hij rent, maar wordt niet uitgeput.’

Adelaars overwinnen de wet van zwaartekracht door te vliegen, en wat waar is voor vogels is waar voor de ziel. Als je de horizon van de hemel wilt zien, hoef je alleen maar je vleugels uit te slaan. (Ja, je hebt vleugels en je hebt geen grotere, betere nodig, je bezit alles wat je nodig hebt om een ​​hemels perspectief op je beproevingen te krijgen.) Net als de muur die een dunne lijn wordt, kun je de andere kant zien.

Dat is wat mij die dag op mijn kantoor is overkomen. Ik was in staat verder te kijken dan mijn ‘muur’ om te zien waar Jezus me op mijn spirituele reis bracht.
De Bijbel toont ons dit eeuwige perspectief. Ik noem het graag het ‘einde-van-tijd-zicht’. Dit beeld scheidt wat vergankelijk is van wat blijvend is. Aan wat van voorbijgaande aard is, zoals fysieke pijn, zal een einde komen. Maar wat blijvend is, de glorie, de overwinning die voortkomt uit die pijn, zal voor altijd blijven bestaan.
Het is zoals de apostel Paulus schrijft: ‘De geringe last die we tijdelijk te dragen hebben, brengt ons een eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft. Wij richten ons niet op de zichtbare dingen maar op de onzichtbare, want de zichtbare dingen zijn tijdelijk, de onzichtbare eeuwig.’ (2 Korintiërs 4:17). De apostel Petrus schrijft aan christelijke vrienden die gegeseld en geslagen worden: ‘Verheug u hierover, ook al moet u nu tot uw verdriet nog een korte tijd allerlei beproevingen verduren’ (1 Petrus 1: 6).
Verheugen? Wanneer je voor de leeuwen wordt gegooid?

Lichamelijk verdriet en emotionele pijn zijn eerlijk gezegd een onderdeel van mijn dagelijkse routine.

Deze vorm van nonchalance over hartverscheurend lijden maakte me voorheen gek. Ik zat in een rolstoel en staarde uit het raam naar de weilanden rondom onze boerderij. Ik vroeg me af: Heer, hoe kan iemand mijn problemen in vredesnaam ‘licht en kortstondig’ noemen! Ik zal nooit meer lopen of rennen. Mijn lichaam is een lekkende zak met botten. Ik ruik naar urine. Ik heb last van mijn rug. Ik zit gevangen voor dit raam.

Jaren later brak echter het licht door: de door de Geest geïnspireerde schrijvers van de Bijbel hadden eenvoudigweg een ander perspectief, een ‘einde-van-tijd-zicht’. Tim Stafford schrijft: “Daarom lijkt de Bijbel soms op irritante wijze het zicht op de realiteit kwijt te zijn, alsof filosofische problemen en persoonlijke ondraaglijke pijnen er helemaal niet toe doen. Maar dat perspectief op het leven krijg je gewoon als je ernaar kijkt vanaf het einde. Perspectief verandert alles. Wat op dat moment zo belangrijk leek, had helemaal geen betekenis.”

Let wel, ik zeg niet dat mijn verlamming op zichzelf licht is; die wordt alleen licht in vergelijking met het veel grotere gewicht aan de andere kant van de weegschaal. En hoewel ik normaal dertig jaar in een rolstoel niet ‘tijdelijk’ zou noemen, is het dat wel, wanneer je je realiseert dat je ‘een mist bent die een tijdje verschijnt en dan verdwijnt’ (Jakobus 4:14).
Niets anders heeft de manier waarop ik naar mijn lijden kijk, zo radicaal veranderd als de sprong naar dit eindpunt. Toen God mijn gebroken nek op mij af stuurde, blies hij de lampen in mijn leven uit die het ‘hier en nu’ verlichtten en het zo boeiend maakten. De donkere wanhoop van de totale en permanente verlamming die daarop volgde was niet leuk, maar het heeft de hemel zeker tot leven gebracht. En op een dag, wanneer onze Bruidegom terugkomt – waarschijnlijk wanneer ik midden in mijn kantoor op de slaapbank lig voor de zoveelste keer – zal God de hemelluiken openen. Ik twijfel er niet aan dat ik op dat moment opgewondener zal zijn, dan als ik nu weer zou kunnen opstaan en lopend mijn kantoor zou kunnen verlaten.

Ondertussen richt het lijden mijn hart huiswaarts.

Joni Eareckson
jonieareckson@maandbladreveil.nl


Meer Joni

Joni Eareckson werd in 1949 geboren als jongste in een gezin met vier dochters. Ze deed aan paardrijden, wandelen, tennis en zwemmen. Op 30 juli 1967 nam ze een duik in de Chesapeake Bay, in een ondiep gedeelte. Daardoor raakte ze verlamd vanaf haar nek. Tijdens haar twee jaar durende revalidatie leed ze aan depressies en geloofstwijfel. Niettemin leerde ze mondschilderen. Ze verkocht haar kunstwerken, schreef meer dan vijftig boeken, nam enkele muziekalbums op en speelde de hoofdrol in een film over haar eigen leven. Haar autobiografie kwam in 1976 uit en werd in verschillende talen uitgebracht, ook in het Nederlands: Joni. Ontroerend verhaal van een invalide vrouw en haar levensstrijd. In 1982 trouwde ze met Ken Tada. Joni en Ken wonen in Californië. In 2010 kreeg ze borstkanker, waarvoor ze succesvol werd behandeld. Joni geeft leiding aan ‘Joni and Friends International Disability Centre’, een christelijke hulporganisatie voor mensen met een handicap. Bovenstaand essay is overgenomen uit haar nieuwste boek ‘Heaven’ (Zondervan Publishers).

Categorieën: Artikelen