Mijn vriend

Eigenlijk was dat niet de bedoeling: vrienden worden. Ik moest hem gewoon een beetje helpen Nederlands te leren spreken. De eerste twaalf jaar van zijn verblijf was dat nog niemand gelukt. Mij was uitgelegd dat het niet om een persoonlijke relatie gaat. Alleen taalles. Juist.

Ik geef ook nog taalles aan een Afghaan die redelijk steenkolenengels spreekt. Praten met Abdul is simpel. Maar deze man en ik hebben geen gemeenschappelijke taal. Hij maakt lange rissen woorden, zonder grammatica, zonder interpunctie, zonder adempauze. Als hij enthousiast is (zelden) is een zin als een optrekkende motorfiets die vaart maakt en langzaam uit beeld verdwijnt.

De eerste maanden onderbreek en corrigeer ik hem. Hij luistert welwillend, probeert mijn correcties na te spreken en komt dan weer op snelheid. We reserveren een bepaalde hoeveelheid tijd, maar die vindt hij erg kort. Hoe kun je eigenlijk praten als je niet eerst naar iemands welstand en die van al zijn familieleden hebt geïnformeerd? En antwoord hebt gekregen? En samen de onhandige rondedans hebt gedaan rond het lot van zijn familie? Rond mensen die kwijt zijn, waarvan hij niet weet of ze nog leven? Maar toch: net zo lang oefenen tot het een vraag wordt waar we samen iets mee kunnen. Korte woorden, weinig lettergrepen. Langzaam. Nog nooit heb ik zo langzaam gepraat.

Toch halen we het niet samen: als leraar en leerling. Hij is somber over zijn leven, zijn vrijwilligerswerk, zijn kansen op de arbeidsmarkt. En hij weet dat het probleem voor een deel aan de taal ligt. Dat hij het werk dat hij nu als vrijwilliger doet ook professioneel zou kunnen doen als hij de taal sprak. Maar toch. Hij wil wel graag contact en gezelligheid, maar geen taalles meer. Met niemand. Ik nodig hem uit als ik een eind moet rijden met mijn oldtimer, toon hem Hollandse landschappen, molens en bruggen. We eten samen bij vrienden, vieren mijn verjaardag, wonen een kerstdienst bij.
Dan lig ik in het ziekenhuis – niets bijzonders, maar het duurt een week. Hij brengt me, om beterschap te wensen, een piepklein pakje met een minuscuul klein Afrikaans primulaatje. Het plantje bloeit maanden lang. Op een dag sta ik er mee in mijn handen, zoek vergeefs naar nieuwe blaadjes, nieuwe knoppen. Ik denk aan onze relatie en aan het miniplantje. Ze staan allebei een beetje stil, bedenk ik. En wat zijn ze klein: een miniplantje en een minivriendschap.
Dan neem ik een simpel besluit. Ik haal verse potgrond en een absurd grote pot en verpot het afrikaantje, heel voorzichtig. Ik pak mijn toetsenbord en mail om een afspraak. We drinken weer thee. M’n lief en ik zijn op een speciale avond zijn gasten – de volgende dag is hij jarig.

Het viooltje heeft inmiddels tien nieuwe blaadjes – in grootte variërend van enkele centimeters tot maar een paar millimeter. Zal het straks ook uitbundiger en langer bloeien?

arnoldvanheusden@maandbladreveil.nl
Arnold van Heusden is betrokken bij Connecting Churches
(www.connectingchurches.nl)

Categorieën: Geen categorie