Wetenschap zonder menselijkheid

Als de werking van een medicijn bewezen is, dan verkoopt het. Als pedagogische inzichten veranderen, dan verandert de opvoeding mee. Veel van wat we doen, denken en geloven is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten. Maar is de rede altijd maatgevend?

Met zijn lijstje van Zeven Sociale Zonden legde de Indiase politicus Mahatma Gandhi in 1925 de vinger op een aantal zere plekken in de samenleving. Wetenschap zonder menselijkheid was er één van.
Wie de Bijbel openslaat, belandt vrijwel direct in een indrukwekkend scheppingsverhaal. In Genesis 1 lezen we hoe God alle dingen creëert, met als het toefje op de taart de mens. Die krijgt een zegen en een opdracht mee: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’

Slimme pinché-apen

Al vanaf Aristoteles geloofden filosofen in een redelijk onderscheid tussen mens en dier. Modern intelligentieonderzoek bevestigt dit beeld. De gemiddelde mens heeft een IQ tussen de 80 en 120. Pas daarna komen de pinché-apen als goede tweede. De Amerikaanse psychologen Hauser en Konika Banarjee stelden hun IQ vast op 75, wat overeen komt met dat van een zwakbegaafde Nederlander. En toch: de eerste aap die in staat is tot lezen of schrijven blijft vooralsnog een illusie.

Meest plausibele theorie

Wat brengt de mens in zijn unieke positie? Tot in de 19e eeuw overheerste de opvatting dat de mens apart van alle andere soorten geschapen was. In 1859 zorgde de Britse autodidact Charles Darwin voor een flinke steen in de creationistische vijver. In zijn boek ‘On The Origin of Species’ beschreef hij de mensheid als het resultaat van een natuurlijk selectieproces.
Na ruim 150 jaar is een totale ommekeer zichtbaar. Onderzoek van Maurice de Hond toonde aan dat de evolutietheorie door 80% van de Nederlanders wordt onderschreven. Toch is het nog altijd een hypothese. Het gedachtegoed van Darwin werd dan ook niet omarmd vanwege haar onomstoten waarheid, maar vanwege het feit dat zij geldt als ‘de meest plausibele theorie over de ontstaansgeschiedenis van de mensheid’. Even los van een Schepper dan.

Geloof en wetenschap

Wetenschap is van alle tijden. Zolang de mens denkt, probeert hij de wereld om zich heen te begrijpen en te verklaren. En nieuwe ontdekkingen leiden altijd weer tot nieuwe ontwikkelingen. Toen men in de 16e eeuw ontdekte dat de aarde rond was, leidde dit tot grote vragen. Want stel nu dat de aarde niets meer was dan een planeet, kon de mens dan nog wel het centrum van het universum zijn?
Nu kampen we weer met nieuwe vragen. Want stel nu dat de mens van de aap afstamt, dient zijn leven dan eigenlijk nog wel hoger doel?
Steeds vaker voelen gelovigen zich gevangen in een lastige spagaat. Want wat nu te geloven: de Bijbel of toch de wetenschap? Opmerkelijk genoeg leidden juist dergelijke vragen tot diepe doordenking. De opkomst van de evolutietheorie resulteerde in grofweg drie christelijke denktranten: het letterlijke creationisme, het oude-aarde creationisme (‘één dag is als duizend jaar’), en die van een Goddelijk geïnspireerd evolutieproces.

Huisatheïst Herman Philipse

Wetenschap en atheïsme zijn beslist geen synoniemen. Toch zijn er prominente geleerden die het graag wel zo stellen. Zo ook Nederlands eigen huisatheïst, de Utrechtse hoogleraar Herman Philipse. Hij bracht recentelijk een boek uit getiteld ‘God in the Age of Science? A Critique of Religious Reason’. In debatten betoogt hij graag waarom het godsgeloof volgens hem haar langste tijd gehad heeft. Dat deze gedachte niet door heel geleerd Nederland gedragen wordt, blijkt wel uit het feit dat Philipse altijd weer op een ruime hoeveelheid theologen stuit om de degens mee te kruisen.

Baby is larf

Niet alleen atheïsten, maar ook veel christenen menen dat geloof en wetenschap strijdig zijn. Religie is gevoel, stellen zij dan, terwijl wetenschap rationeel is. Vandaar ook de tendens in sommige kerken om het verstand aan banden te leggen en zich over te geven aan de emotie.
De soep wordt echter zelden zo heet gegeten als ze wordt opgediend. Geloof en wetenschap hebben meer gemeen dan vaak wordt aangenomen. Zo heb je voor wetenschap ook een bepaalde mate van geloof nodig. En geloof op haar beurt, kan maar moeilijk zonder onderbouwing. Zo bracht een evolutionaire kijk op zaken de bioloog Midas Dekkers tot zijn boek ‘De Larf’, waarin hij betoogt dat het jonge kind meer een larf is dan een mens. En de aanname dat er niets anders bestaat dan materie bracht de psycholoog Dick Swaab tot zijn boek ‘Wij zijn ons brein’.

Oerknal, schamele zingeving

De kerkvader Thomas van Aquino hield van wetenschap. In de schepping vond hij tal van godsbewijzen. Het fascineerde hem hoe mooi en complex de natuur in elkaar zit. Zo’n wonderlijk geheel moest wel in gang gezet zijn, zo redeneerde hij. Neem nu een bevruchte eicel. Zonder instructie van buitenaf ontwikkelt die zich in de moederschoot tot een uniek persoon. En wie legt ons uit waarom de mens kan zingen, kunst maken, lachen, huilen en liefhebben? Als onze enige verklaring een oerknal is en onze enige zingeving ‘the survival of the fittest’, dan lijkt dat toch wat schamel.

Het bestaan van God valt niet te bewijzen of te ontkennen. De moderne wetenschap kan daarom geen uitspraken over Hem doen. Zij doet gewoon haar taak: ze onderzoekt en verklaart. Het zijn onze interpretaties die kleur geven aan de feiten. En dan is het atheïsme – net als het christendom – een levensovertuiging.
Is geloof dus achterhaald? Nee, het kampt hooguit met een imagoprobleem. In een seculiere samenleving nemen zingeving en kennis steeds verder gescheiden domeinen in. Toch kunnen geloof en rede elkaar niet missen. Want, waar Gandhi al op doelde: de rede verliest haar kleur wanneer zij wordt losgekoppeld van het menselijk hart. En de samenleving verliest haar evenwicht.

Kelly Keasberry
kellykeasberry@maandbladreveil.nl

Neem een proefabonnement

Categorieën: Geen categorie