Kerstman Sam in Afrika

Sam is blij. Sam heeft werk. Als kerstman voor de shop van Gupta Shah. Sam heeft het warm.
Erg warm. Het is rond de 40 graden Celcius. Die koperen ploert aan de hemel doet zijn uiterste kerstbest. Sam trekt zijn dikke rode kerstmanpak aan. Snoert de lange zilveren baard om. De rode wollen puntmuts met de echte kerstbal op zijn zwarte hoofd.

Hij pakt de koperen bel en gaat op weg door het rode stof van de Afrikaanse aarde naar het centrum van zijn sudderende stad. Daar zal hij voor de winkel van Gupta Shah de hele dag de kerstbel luiden en folders uitdelen. Folders met Gupta Shahs kerstwensen en de aanbieding van donuts, chpati’s, mandazis en andere lekkernijen.
Het zoute zweet prikt in Sams ogen. De baard jeukt. Rood stof druipt langs zijn zwarte wangen en vloekt met het felle rood van zijn kerstpak. Een zware deken van stof en hitte smoort zijn keel, maar toch rochelt hij: ‘Glory Hallelujah! Merry Christmas!’ Sam is voor 50 Shilling drie dagen reclame Santaclaus.

Ik zit op het terras van de Westman Porch en zie hem, geheel in lijn van Gods vervloeking, in het zweet zijns aanschijns zwoegen. Voor een paar dubbeltjes. Een appel en een ei.
Sam staat daar alleen. Geen mens waagt zich op dit uur op straat. Hij luidt zijn bel. Staat stil. Draait zich om en herhaalt eindeloos die paar pasjes, precies voor de winkel van Gupta Shah. Mocht hij te ver lopen en dus reclame maken voor andere zaken, dan kan hij naar zijn gage fluiten. De kertstbel klingelt voor wie betaalt, toch!? Hij wankelt wat naar links en rechts, roept iets onduidelijks, veegt zijn voorhoofd af. Meneer Gupta Shah is nergens te bekennen.
Sam wordt gebakken. Hij suddert in de bloedhete Afrikaanse braadpan. Hij is de vleesgeworden kerstgans. Samen met God kijk ik hoe Sam langzaam gaar kookt. Ik neem een slok van mijn ijskoude longdrink.

Er komen nu wolkjes uit Sams oren. Zijn bloed bereikt het kookpunt. Op zijn ronde zwarte wangen vormen zich bubbeltjes die open spatten. Het zoute zweet vermengt zich met Afrikaans bloed. Nog eenmaal zwaait hij wanhopig met de grote koperen bel. Geen jingle maar een soort 112. Sam tolt om zijn as en valt dan in het rode stof. Einde Sam. Einde zwarte kerstman. Sam is gesmolten. Meneer Shah laat zich niet zien. Er is geen klant te bekennen.
God in de hemel kijkt over de rand van zijn veranda. Een paar 4WD-cars (auto’s met vierwielaandrijving, red.) rijden langs en maken van het tafereel een waar drama met rookmachine. Met de zon er doorheen. Once upon a time in the South.
Ik neem nog een heerlijke teug van mijn koele frisdrank en bestel voor 150 shilling een christmas-pie, drie keer zoveel als Sam verdiend zou hebben als hij de drie dagen hitte in dit Britse pak volgemaakt zou hebben.

Plotseling doemt een groep Chinese wegwerkers op uit de stofwolk. Ze hebben haast want ze krijgen precies dertig minuten om te schaften. Ze bouwen in razend tempo een snelweg om de Chinese mijnen met de haven te verbinden. Er wonen en werken nu 150.000 Chinese mijnwerkers en wegenbouwers in dit land. 150.000 Sammetjes mogen werkeloos toekijken. Daarom was Sam zo blij met zijn belangrijke kerstmanbaan voor meneer Gupta Shah. Dankbaar voor deze erfenis uit de Britse koloniale tijd. Dankbaar voor Kerst! De Chinezen lopen als een stroom mieren netjes om Sam heen. Wat Chinezen denken weet niemand. Zij weten waarschijnlijk niets van de Britse kerstman. Deze gele stroom weet weinig of niets van al die stromen mieren die in de geschiedenis al om een Sam heengelopen zijn. Ze weten niets van de blanke expatkindertjes die ooit alleen een zwarte kerstman kenden. Die blanke kindertjes zijn allang verdwenen. De Britten zijn weg. Leve de nieuwe zwarte rijken die met hun 4WD-cars langs hun eigen ontelbare Sams zoeven. Leve de Chinezen. Leve de draaimolen van de zich repeterende geschiedenis met Halleluja-zingende Afrikanen in de marge.
God hoe lang? Ik zit op de veranda van de geschiedenis. En drink mijn koele drankjes. Schrijf een kerstverhaal. Denk aan God zonder rood pak en koperen bel. God in de harten van de Luo’s, de Kalenjin, Britten, Gujarati en Chinezen. Jingle Bell! Merry Christmas! Glory Hallelujah!

Maar warempel. Sam krabbelt overeind. Klopt het stof van zijn jas. Doet zijn pet af. Laat de bel op het trottoir liggen. Trekt de kunstbaard van zijn kin, doet de rode jas uit en loopt naar mij toe. Hij gaat naast mij zitten en bestelt een Coke. ‘Hallelujah! God is good!’ zegt hij stralend. Ik knik en doe een onhandige kreun. Tja… en denk: het is toch ongelofelijk dat die Afrikanen altijd weer opkrabbelen en niet kapot te krijgen zijn. Ik stamel: ‘Merry Christmas…’ en denk: het moet toch niet gekker worden. Ligt ’ie eerst dood in het stof en nu moet ik natuurlijk zijn cola betalen. Het dringt tot mij door: het was allemaal een toneelstukje. Niet voor de zaak van Gupta Shah, maar voor het terras van Westman Porch. Verrek. Ik ben er weer eens ingestonken. En die Chinezen en die 4WD-cars met de nieuwe zwarte rijken wisten dat natuurlijk. Het is mijn White Man’s burden, die vooral met kerst weer zwaar op mijn schouders drukt.

Sam buigt zich naar mij voorover en knipoogt: ‘What do you think, man…’ Ik antwoord: ‘Fantastisch gedaan. Ik betaal! Merry Christmas!’ Maar Sam zegt: ‘No way. Ik betaal en je bent uitgenodigd bij mij thuis.’ Weer draaien de rollen zich vliegensvlug om: ‘Ik? Maar je kent me niet eens.’ ‘Nee, geeft niet: kom mee…’
Ik betaal natuurlijk de rekening al was het alleen al om deze duvels goeie act en de uitnodiging. Ik ga mee. We lopen langs Gupta Shah, die nu in de deuropening staat: ‘Sam, thanks man’, en hij geeft hem een briefje van 50 shilling. Dus toch? Sam pakt de santaclaus spullen op en voert mij naar zijn schamele hut. Ik maak kennis met Rose, met Dingo en Thabo, z’n jongens, of ik maar wil gaan zitten op die ene grote fauteuil met die gehaakte kleedjes en het plastic erover heen. De stoel kraakt. De radio kraakt. De jongens staren mij aan vanuit een hoek. Rose komt met een kop hete chai en bidt: ‘Thank you Lord for this cup of tea. Thank you Lord for our guest. You are good. Hallelujah! Amen.’

Is dit echt? Gespeeld? Maar àls dit spel is, dan is het echt. Een heel mooi engelenspel. Een ongedwongen, vrolijk mensenspel van gastvrijheid en wisselende rollen. Wie is gast? Wat is kerst?

Otto de Bruijne
ottodebruijne@maandbladreveil.nl
De auteur is kunstenaar, schrijver en spreker

Categorieën: Artikelen