Ontvoerd in Afghanistan

In oktober 2010 reed Peter Oosterhuis van zijn woonplaats in Afghanistan naar het vliegveld. De door hem opgerichte kliniek had hij overgedragen aan een andere organisatie en hij zou definitief terugkeren naar zijn geboorteplaats Almelo, waar zijn vrouw en kinderen op hem wachtten.

Maar zover kwam het niet. Plotseling werd zijn auto klemgereden. Vijf gewapende mannen overmeesterden hem en zijn chauffeur. Een minuut later lag hij in de kofferbak van een auto. Het begin van 39 bange dagen.

Fysiotherapie voor kinderen

In 2003 bezochten Peter en zijn vrouw Naomi voor het eerst Afghanistan. Dit bezoek leidde ertoe dat ze in 2005 een kliniek openden voor geestelijk gehandicapte kinderen met Celebrale Parese (CP), een beschadiging van het zenuwstelsel die leidt tot motorische problemen. Peter: “Er was wel een instelling waar protheses gemaakt werden voor mijnslachtoffers, maar fysiotherapie voor gehandicapte kinderen was er niet. Terwijl je met een paar eenvoudige oefeningen heel veel vooruitgang kunt boeken. Als je er maar op tijd bij bent.” In de vijf jaar dat Oosterhuis en zijn vrouw in Afghanistan woonden en werkten, leidden ze vier Afghaanse vrouwen op tot fysiotherapeut. Zij zetten het werk voort.
Toen het gezin in de zomer van 2010 tijdelijk in Nederland was, besloten ze om definitief hier te blijven. Het werk in de kliniek, in combinatie met de zorg voor en thuisscholing van hun drie kleine kinderen, viel hen zwaar. Ook de toenemende onveiligheid droeg bij aan deze beslissing. Oosterhuis ging alleen terug om de kliniek over te dragen aan een Zweedse organisatie.

Crisisteam

Op een ontvoering was hij totaal niet bedacht. “Je merkte wel dat de sfeer na 2009 grimmiger werd. Soms was er een aanslag in de buurt. Toch denk je altijd dat het jou niet zal overkomen.” Gelukkig had hij veiligheidstrainingen gevolgd en een document opgesteld waarin precies stond wat ze moesten doen in een dergelijke situatie. Daar kon het thuisfront mee uit de voeten. Al een paar uur na zijn ontvoering was zijn familie op de hoogte. “Een Afghaanse politieman had gezien dat ik meegenomen werd. Al snel werd duidelijk dat het om een Nederlander ging en nog diezelfde dag was er een crisisteam in Den Haag gevormd.”

Losgeld

Ondertussen wordt Peter overgebracht naar een bergachtig gebied. Elke dag kent een vast ritme: overdag zitten beide mannen vast in een hok, een huis of een schuur, ’s nachts lopen ze. Soms een paar uur, soms de hele nacht. Met zakken over hun hoofden en katoen in hun oren. “De mannen zeiden dat ze Talibanstrijders waren en dreigden continue ons om te zullen brengen. Of ze dat met een mes of een geweer zouden doen, daar waren ze nog niet uit. Die eerste dag wist ik zeker dat ik het niet zou overleven.” Gelukkig was het geen Taliban, maar een relatief onervaren criminele bende die slechts uit was op geld. “De tweede dag kregen we iets meer hoop. Ik mocht mijn vader bellen. Gek genoeg was het nummer van mijn ouders het enige telefoonnummer dat ik uit mijn hoofd kende. Ook sprak ik een paar keer met het crisisteam in Nederland. De eis van mijn ontvoerders was twee miljoen euro. We hadden twee dagen de tijd om dit bedrag bij elkaar te krijgen, anders was het gedaan met ons. Ze dachten dat ze een heel rijk iemand aan de haak hadden geslagen. Ik wist natuurlijk dat de Staat geen losgeld betaalt.”

Doorverkopen

Als de ontvoerders na drie weken in de gaten krijgen dat het losgeld niet betaald zal worden, verbreken ze het contact met Nederland. Tot twee keer toe proberen ze Peter en zijn chauffeur door te verkopen aan de Taliban. En tot twee keer toe komt de contactpersoon niet opdagen op de afgesproken plek. “Dat was echt een wonder,” verzucht Oosterhuis. “Als dat gelukt was, had ik hier waarschijnlijk niet gezeten.” Uiteindelijk zorgt de angst voor militair ingrijpen ervoor dat de ontvoerders het opgeven. Peter en zijn chauffeur laten ze achter langs de weg. Een taxichauffeur brengt hen naar de Duitse basis Taloqan. Van daaruit vliegt Peter enkele dagen later naar Eindhoven.

Band met ontvoerders

“We hebben het vermoeden dat deze mannen dit voor het eerst deden. En ze zijn er nog mee weggekomen ook, naar mijn weten is er geen jacht op hen gemaakt. Terwijl de Afghaanse autoriteiten ongetwijfeld hun vermoedens over de identiteit van de bende hebben.” Hoewel de ontvoerders het Peter erg moeilijk hebben gemaakt, is hij niet haatdragend. “Het klinkt gek, maar je krijgt een bepaalde band. We waren afhankelijk van hen. Zíj gaven ons eten, al was het niet veel. Zíj zorgden dat we niet in handen vielen van andere criminele bendes.” Alle 39 dagen zaten Peter en zijn chauffeur met kettingen aan elkaar vast. “We zijn drie uur los van elkaar geweest. Gelukkig kenden we elkaar goed. Overdag deden we de zakken van onze hoofden en praatten zachtjes met elkaar. Voor een Afghaan is de kans op overleven bij een ontvoering heel klein, daarvan was mijn chauffeur zich bewust. Afghanistan staat bekend om het onderdrukken van vrouwen, maar hij zei steeds: ‘Als ik het overleef, ga ik leven voor mijn gezin, voor mijn twee vrouwen en mijn tien kinderen.’”

Bidstond

In Nederland kwam zijn familie die zes lange weken in stilzwijgen door. Om te voorkomen dat anderen zich in de zaak zouden mengen om zo ook wat te verdienen, werd hun gevraagd er met niemand over te praten. “Bekenden vermoedden natuurlijk wel dat het om mij ging, maar dat werd nooit bevestigd. De familie organiseerde elke dag een bidstond, iets wat Peter heel duidelijk heeft ervaren. “Op de meest rare momenten kwamen er teksten en liederen in me op die me eraan herinnerden dat God er was. Net een bandje op de achtergrond. Ik ben op mijn achttiende tot geloof gekomen, maar het was voor het eerst dat ik dit zo ervaren heb. We zijn inmiddels een jaar verder en soms verlang ik er bijna naar terug. Mijn kijk op God is heel praktisch geworden. Ik heb nooit getwijfeld aan zijn bestaan, maar daar in Afghanistan kwam de Bijbel voor mij tot leven. Vaak haal ik Psalm 23 aan: ‘Zelfs al ga ik door een dal, Hij is bij mij.’ Ik weet dat God de touwtjes in handen had. Hij verloor ons geen moment uit het oog.” Peter legde zijn leven in Gods hand. “Dat was in de tweede week, een enorm moeilijk moment. Ik had er vrede mee om te sterven. Totdat ik weer dacht aan Naomi en de kinderen. Hoe zou het dan met hen moeten?”

Kartonnen doos

Voor Naomi en Peter heeft de moeilijke periode ook iets goeds gebracht. “Het is net of God ons opnieuw aan elkaar gegeven heeft. Toen ik net terug was, zeiden we: ‘Al moeten we in een kartonnen doos leven, als we maar bij elkaar zijn.’” Lachend: “Inmiddels hebben we onze eisen wel wat bijgesteld.” Toekomstplannen zijn er nog niet, maar ooit willen ze terug naar Afghanistan. “Naomi heeft nooit de kans gehad om afscheid te nemen, dat wil ze heel graag. Voorlopig zitten we goed in Almelo. De kinderen hebben het naar hun zin op school. Maar nog steeds gaat er geen dag voorbij dat ze de Heer niet danken dat Hij hun papa veilig heeft thuis gebracht.”

Alinda van Ginkel
reveilmeiden@maandbladreveil.nl

Categorieën: Geen categorie