Pa en God: één pot nat

Na de dienst zie ik hem staan dralen. Laat ik hem Leen noemen. Hij wil me spreken, maar er moet kennelijk een innerlijk drempeltje genomen worden. Ik ken hem van een gespreksavond toen hij vooral opviel door zijn nadrukkelijke zwijgzaamheid. Een zestiger, breed geschouderd en met zijn priemende, onrustige blik en dikke grijze baard zou ik hem zo willen casten als profeet. Maar ik maak geen films.

‘De preek sprak me aan’ zegt Leen, nadat hij toch bij me is komen staan.
‘Het ging ook over mij’, vervolgt hij, maar er komt geen toelichting.
‘In welk opzicht?’, probeer ik.
Aarzeling. Zoeken. Het is voelbaar: er moeten woorden opgediept worden. Niet alles ligt te raap.
‘…u spreekt zo…zo anders over God.’
‘Anders?’
Opnieuw blijft het stil en de ruimte tussen ons wordt gevuld met het gemurmel van de gesprekken om ons heen.
‘….Ik zou er wel eens met u over willen doorpraten – kan dat?’
Ik doe mijn mond open om het bevestigende antwoord te geven, maar Leen is mij nu voor: ‘Eerlijk gezegd gaat het niet zo goed met me – al een tijdje niet. Ik pieker te veel, over het geloof, over God. Ik weet het niet meer…’

Depressief

Een tijdje later ontmoeten we elkaar. Ik hoef geen openingsvraag te verzinnen. De koffie wordt overgeslagen. Leen steekt spontaan van wal. Het blijkt de hoogste tijd. Ik hoef alleen maar te luisteren. Hij begint waar we in de kerk zijn geëindigd: met zijn godsgeloof waar hij in vast is gelopen. God als hemelse boekhouder: alle plussen en minnen van ons leven bijgehouden. Het finale oordeel is te vrezen: het lijstje minnen is immers langer. Veel langer. Leen heeft er overigens alles aangedaan, zo vertelt hij, om de zaak een beetje in evenwicht te krijgen. Perfectionisme ten top. Een paar maanden geleden was hij met pensioen gegaan. Tijd om na te denken. Tijd om met de grootste schrik te constateren dat hij zich levenslang het schompes heeft gewerkt om vooral iemand te zijn. Om goed te zijn. Maar nu: wie of wat ben ik eigenlijk? Een waardeloze kerel – dat was het enige wat hij kon bedenken en hij was depressief geworden. Ja, hij bezoekt inmiddels een psychiater en hij slikt een anti-depressivum; en nee, veel geholpen had het nog niet.
‘M’n psychiater wil niet over God praten, begrijpt u? Maar daar zit het nu net op vast. Op m’n geloof. Zo voel ik dat.’
Nee, ik begrijp niet waarom de psychiater niet met Leen over God wil praten, maar dat punt laat ik rusten.

In zichzelf gekeerd gezin

‘Vertel eens, in wat voor wieg heb jij gelegen? Uit wat voor nest kom je?’
Met een paar grove penseelstreken van de herinnering krijg ik het plaatje voor geschilderd van een in zichzelf gekeerd gezin, waarin het geloof gebruikt werd om Leen en zijn zussen vooral klein en binnen de perken van de eigen opvattingen en levenswijze te houden. De schildering vraagt om een fijnere, helderder invulling. Ik stel Leen voor een serie van vijf gesprekken te houden, telkens met tussenpozen van twee weken voor huiswerk. En daarna kijken we wel hoe de vlag er bij hangt. Huiswerk voor de volgende keer: neem een groot vel papier, noteer heel je familie van ouders, grootouders, misschien wel overgrootouders en natuurlijk ook je kinderen, en trek alle denkbare lijntjes die er tussen al die mensen lopen of gelopen hebben. En bij elk lijntje moet je in steekwoorden schrijven wat je van de betreffende relatie weet. Succes en tot de volgende keer.

Ruimte

‘Ik schaam me dood’, zegt hij als we elkaar weer spreken. ‘Ik ben de vorige keer helemaal vergeten koffie aan te bieden.’
Mooi, dat klinkt al een beetje naar ruimte. Bovendien heb ik zin in koffie. We gaan aan de eettafel zitten die bijna helemaal bedekt is met een papier vol met een wirwar aan lijnen, namen en gekriebelde woorden. We nemen de lijntjes tussen de generaties door. En de woorden die er bij staan: wantrouwen, hardheid, veeleisend, dogmatisch geloof, scherp, controle; allemaal woorden in de categorie liefdeloos. De lijntjes naar Leens moeder zijn zachter getoonzet, maar de woorden tussen haar en haar man maken volstrekt duidelijk: het is een ongelijke strijd geweest. Leen kijkt naar de woorden rond zijn vader. Hij valt ineens stil. Ik voel dat er iets gebeurt. Hij doet de ontdekking van zijn leven.
‘…ik zie…wat ik bij mijn vader heb geschreven…dat is precies wat ik ook altijd …van God heb gedacht.’
Het komt er moeilijk uit. Precies: pa en God: één pot nat. Twee handen op één buik. Beiden even veeleisend, hard, ongenaakbaar, afstandelijk. Hoe goed je ook je best doet, het is altijd te weinig. En dus: altijd dat schuldgevoel, altijd dat kleine, nooit blij met jezelf mogen zijn.
‘Ze lijken een beetje te veel op elkaar, die twee’, zeg ik.
Tranen druppelen in de baard.
‘Dat ik dat nu pas zie…’.

Huiswerk

De weken daarna wordt er hard gewerkt. Huiswerk. Hartwerk. Vader en God worden heilzaam gescheiden. Met terugwerkende kracht. De Eeuwige als bron van liefde en geest, die ieders leven inademt en vader als een kind van zijn tijd. Er ontstaat een nieuwe ruimte. Er komt glans in Leens ogen. Door de baard breekt af en toe een glimlach.
‘Tjonge, wat gebeurt er veel met me’, zegt hij. ‘Ik durf weer een beetje te denken aan morgen – plannen maken, dat soort dingen.’

Herman Koetsveld
hermankoetsveld@maandbladreveil.nl

Herman Koetsveld is als predikant verbonden aan de
Protestanse Gemeente van Hengelo.

Categorieën: Geen categorie